Verlatingsangst en bindingsangst: waarom je hart ooit “nooit meer” besloot
Je verlangt naar nabijheid, naar iemand bij wie je helemaal jezelf mag zijn. En toch gebeurt er iets in je zodra iemand echt dichtbij komt. De een trekt zich terug en houdt de ander op afstand. De ander klampt zich vast, uit angst dat hij of zij weggaat. Het voelt alsof je hart iets wil wat je tegelijk niet durft.
Verlatingsangst en bindingsangst lijken elkaars tegenpolen, maar ze komen uit dezelfde bron. Ergens in je leven is je hart gebroken en op dat moment heb je een besluit genomen: nooit meer. Nooit meer laat ik mij zo raken.
Hoe ontstaat zo’n besluit? En waarom voelt verbinding daarna zo eng? Daar gaat dit blog over. Je leest ook hoe je je hart weer leert openen, door voorzichtig naar de pijn toe te keren in plaats van hem weg te duwen.
Wat is verlatingsangst en wat is bindingsangst?
Bij verlatingsangst ben je bang dat de ander je in de steek laat. Je houdt vast, je past je aan en je doet alles om de ander maar niet kwijt te raken. Bij bindingsangst ben je bang om je echt te verbinden. Zolang het contact niet te serieus is, gaat het goed, maar zodra het serieus wordt, wil iets in jou weg.
De een klampt zich vast en de ander houdt afstand, maar beide bewegingen komen uit dezelfde wond. Verlatingsangst en bindingsangst laten de diepte zien van een kwetsbaarheid die je ooit hebt ervaren. Een moment waarop het zo’n pijn deed dat je hebt besloten: nooit meer.
Ze horen allebei bij hoe je je ooit hebt gehecht: aan je moeder, aan je vader en aan je broers en zussen. De relaties die je nu hebt, zijn namelijk een afspiegeling van de eerste relaties in je leven.
Hoe ontstaat verlatingsangst? Het moment van “nooit meer”
Liefde is stroom. Liefde is overvloed. Liefde is verbinding. Alles in het leven ontstaat in verbinding, want het leven zelf begint op het moment dat een eicel zich verbindt met een zaadcel. Angst is het tegenovergestelde. Angst is blokkade.
Je hart is het centrum van wie je bent. Het heeft twee kamers: een ontvangende en een gevende kant. In de oorsprong woont in de ene kamer je moeder en in de andere kamer je vader. Kinderen zijn de optelsom van hun ouders.
Rond je zesde, zevende jaar begin je voor het eerst echt vanuit je hart te verbinden. Dat is de leeftijd waarop kinderen hun eerste hartsvriendinnetjes en hartsvriendjes krijgen. Daarvoor hebben ze ook wel vriendjes, maar dat is nog heel erg buiten hun hart. Wordt je hart op die leeftijd gebroken, dan neem je dat voor je leven mee. Bijvoorbeeld wanneer je beste vriendinnetje overlijdt. Of wanneer je ouders gaan scheiden, want ouders wonen in het hart van een kind.
Verlating hoeft niet groot te zijn om diep binnen te komen. Een kind dat op de trap wordt gezet of in de hoek moet staan, voelt zich verlaten. Een kind dat apart wordt gezet omdat het bang is voor honden, voelt dat als een straf. En wat besluit dat kind? Zie je wel, ik ben niet oké.
Dat komt doordat een kind onder de acht jaar alles op zichzelf betrekt. In die eerste jaren staat maar één ding centraal: ik. Een kind kan dus alleen maar denken: het ligt aan mij, ik heb iets verkeerd gedaan. In elke situatie voelt een kind zich schuldig. Zo groeit uit een gebroken hart een gedachte die je gaat geloven. Ik ben niet geliefd. Ik ben het niet waard. Ik moet het alleen doen.
Hoe ontstaat bindingsangst? Het verlies op afstand houden
Bij verlatingsangst klamp je je na dat besluit van “nooit meer” vast. Bij bindingsangst gebeurt het omgekeerde: je laat de ander niet meer zo dichtbij komen. Je bent vriendelijk en betrokken, maar zodra het intiem en serieus wordt, gaat er iets in je op slot. Je trekt je terug, je gaat fouten zoeken in de ander of je houdt het luchtig met een grapje.
Wat je dan op afstand houdt, is eigenlijk niet de ander. Je houdt het verlies op afstand. Ergens in jou leeft nog de herinnering aan hoeveel pijn het deed toen een verbinding brak, en die pijn wil je nooit meer voelen. Alleen: verlies kun je niet op afstand houden.
Wie zo’n verlies nooit heeft kunnen rouwen, blijft vaak in de overleving hangen. Je besluit dan: de wereld is niet veilig, mensen zijn niet veilig. Die rouw blijft hangen in je systeem, als stenen van wantrouwen en onveiligheid in je rugzak. En zolang je niet hebt gerouwd, kun je niet verbinden. Weet je hoe je weet dat je rouw is gerouwd? Als je weer een verbinding kunt aangaan.
Bij bindingsangst speelt nog iets anders mee: de angst om jezelf te verliezen. Elk mens beweegt voortdurend tussen verbinding en autonomie. Aan de ene kant wil ik me met jou verbinden, aan de andere kant wil ik het niet. Veel mensen denken: als ik me met jou verbind, gaat dat ten koste van mezelf.
Die angst komt ergens vandaan. In de eerste zeven jaar van ons leven hebben we ons opgeofferd voor onze ouders. Een kind leeft naar het verlangen van zijn ouders, want het is totaal van hen afhankelijk. Als je niet tegemoetkwam aan je ouders, voelde dat levensbedreigend. Moest je jezelf als kind al opgeven om erbij te horen, dan voelt nabijheid later als gevaar. Dichtbij komen voelt dan als verdwijnen, en afstand voelt als vrijheid. Maar eigenlijk is het zelfbescherming.
Soms is er ook gewoon geen plek. Als je hart nog gevuld is met je ouders, is er nooit ruimte voor een partner. Je houdt de ander dan niet af omdat je niet wilt, maar omdat de kamer in je hart nog bezet is.
Zo zijn verlatingsangst en bindingsangst twee antwoorden op dezelfde pijn. De een probeert het verlies te voorkomen door vast te houden. De ander door er niet meer aan te beginnen.
Waarom voelt verbinding zo eng?
In elke diepe verbinding zit rouw. Ooit zal ik mijn kinderen moeten achterlaten. Ooit zal ik mijn partner moeten achterlaten. Alles waar ik ooit mee verbonden ben geweest, zal ik moeten loslaten.
Onze diepste angst voor de verbinding is daarom niet de verbinding. Onze diepste angst voor de verbinding is de rouw van het loslaten. Omdat we bang zijn van de pijn van de verbinding, ontwijken we de verbinding, want ergens heel diep weten we: ik moet het loslaten. En om die rouw te voorkomen, vullen we de leegte in onszelf.
De intensiteit van je verbinding is de intensiteit van je verdriet. Hoe dieper je bent verbonden, hoe meer je hebt te verliezen. Liefde en pijn zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Je hart kan pijn doen van gemis, maar als je dat gemis niet zou voelen, zou je ook de liefde niet kunnen voelen. De intensiteit van je gemis is alleen maar de intensiteit van je liefde.
Misschien ligt het eerste loslaten nog veel verder terug. Bij je geboorte moest je de geborgenheid in de buik van je moeder al achterlaten om te kunnen leven. En een kindje dat na de geboorte de verbinding met zijn moeder verliest, is in doodsangst. Het begrijpt niet dat het veilig is in een ziekenhuis. Het denkt alleen: waar is mijn moeder? Ik hoor geen hartslag meer. Ik ruik haar niet. Ik voel haar niet. Daarom liggen levensangst en doodsangst bij veel mensen zo dicht bij elkaar.
Wie die pijn van verlies ooit heeft gevoeld, draagt de herinnering mee in zijn lijf. Elke nieuwe verbinding raakt daaraan. En dus doet je hart wat het kan: het gaat dicht, zodat je die pijn nooit meer hoeft te voelen.
Waarom je je vastklampt: hechting is geen verbinding
Wie bang is om verlaten te worden, gaat vaak niet weg, maar houdt juist vast. Dat is hechting. Hechten is vastpakken. Stel je voor dat je van een ladder de diepte in valt: wat doe je dan? Je klampt je vast aan wat je kunt grijpen. Hechting is angst voor wat er kan komen. Hechting is verkramping.
Een gebroken hart leidt tot hechting en schaarste. Een stromend hart leidt tot overvloed en vreugde.
Vanuit hechting moet de ander jouw hart voeden. Je wacht altijd tot een ander je hart vult, en zo knijp je je eigen levensenergie af. Vanuit angst pas je je aan en kijk je voortdurend wat de ander nodig heeft, in plaats van wat jij zelf nodig hebt. Aan het eind van de dag voel je je dan leeg. Je hebt jezelf immers leeggegeven aan de behoeften van anderen.
Je kunt het vergelijken met een huis met een schuifdeur. Staat die schuifdeur altijd open, dan komt alles binnen: de frisse wind en het gefluit van de vogeltjes, maar ook alles wat zwaar is. Schuif je de deur dicht, dan zie je nog steeds wat er buiten gebeurt. Je ziet nog altijd wat de ander nodig heeft. Alleen laat je je er niet meer door meeslepen, en blijf je in je eigen energie.
Dat is verbinding. Verbinding is met de hand open. Als je de liefde hebt voor jezelf, zijn de anderen nog even belangrijk, maar ben je er niet meer van afhankelijk. Je hart hoeft dan niet meer door de ander gevuld te worden, omdat je je vanuit een overvloedig hart met de ander verbindt. Meer over dit verschil lees je in de blog over hechting en verbinding.
Is het wel jouw angst? Wat je familiesysteem meegeeft
Niet elke verlatingsangst begint in je eigen leven. Soms draag je iets mee wat niet eens van jou is.
Kijk maar eens naar de generaties achter je. Veel mensen mochten vroeger niet trouwen met wie ze liefhadden, omdat ze een ander geloof hadden. Of hun geliefde ging naar de oorlog en kwam nooit meer terug. Stel dat dat jouw oma is overkomen. Dan is dat een rouw die nooit gerouwd is, want daar was geen ruimte voor. Het kan dan zomaar zijn dat jij de verlatingsangst via je oma hebt meegekregen, terwijl het niet eens jouw verlatingsangst is.
Soms zit verlating al in het fundament van een familie. Denk aan een moeder die overlijdt bij de geboorte, en een vader die zich daardoor niet kan verbinden met zijn kind. Of aan een jongen van vijftien die zijn moeder verliest, na drie dagen terug moet naar het internaat, en over wie er daarna nooit meer wordt gepraat. Hoe gebroken is het hart van zo’n jongen? En wat geeft hij later door aan zijn eigen kinderen?
Als het hart van je ouders gebroken is, kunnen zij nooit helemaal aanwezig zijn. Als ik op mijn zevende mijn moeder heb verloren, hoe weet ik dan op mijn achtentwintigste hoe ik moeder moet zijn? Ik heb het niet gehad.
Zo gaat een gebroken hart van generatie naar generatie. De tranen die wij huilen, zijn voor 70 procent de tranen die onze ouders nooit hebben gehuild. Wij hebben geen verleden, wij zijn het verleden.
Dat betekent niet dat het altijd zo is, maar het zou zo weleens kunnen zijn. Een paar vragen om jezelf te stellen: zijn er verlatenen in mijn familie? Jong overledenen? Mensen die zijn uitgestoten?
Hoe kom je van verlatingsangst af?
De neiging is om de angst weg te willen hebben, of om iets te vinden dat de pijn oplost. Maar hoe meer we weggaan van de pijn, hoe meer pijn het moet doen. Pijn is de weg naar de ziel. Jammer genoeg, maar het is zo.
Keer naar binnen in plaats van weg
Het begint met bewustwording. Wat gebeurt er in je als iemand dichtbij komt? Waar voel je het in je lijf? Je lichaam is het enige waar je echt op kunt vertrouwen, want elke ervaring die je ooit hebt gehad, zit daarin opgeslagen. Stel jezelf daarna de vraag: welke liefde zit er in deze pijn verborgen?
Krijg weer een hart voor jezelf
Wij worden geprogrammeerd met een hart voor een ander. Het gaat erom dat je terug een hart krijgt voor jezelf. Want als je niet hartelijk bent voor jezelf, hoe kun je dan hartelijk zijn voor een ander? Het leren ademen door je hart opent je hart. Dan kun je makkelijker ontvangen en kan het weer stromen.
Een kleine oefening om mee te beginnen:
- Ga rustig zitten, zet je voeten op de grond en leg een hand op je hart.
- Stel je voor dat je via de achterkant van je hart inademt en via de voorkant uitademt.
- Denk aan iets of iemand die je heel erg liefhebt. Een hondje, een kind, een dierbare. Voel hoe je hart zacht wordt als die voor je staat.
- Laat die ander dan verdwijnen, en laat de liefde die stroomt terugkeren naar jezelf.
Maak je hart vrij
Als je hart niet vrij is, kun je niet verbinden. En als je niet kunt verbinden, kun je niet liefhebben. Idealiter maakt een kind zijn hart in de puberteit vrij. Dochters hebben dan vaak gedoe met hun moeder en zonen met hun vader, en dat is heel goed. Zo maken ze ruimte om zelf in de ene kamer van hun hart te gaan wonen, en in de andere kamer plaats te maken voor een partner. Want als je hart nog gevuld is met je ouders, is er nooit ruimte voor een partner.
Wat jij kunt doen, is bewust uit je hart zetten wat er niet meer hoort. Leg je handen op je hart en voel waar je klaar mee bent. Duw het in je verbeelding uit je hart, terwijl je uitademt. Je duwt nooit mensen uit je hart. Je duwt alleen weg wat jij denkt dat je moet doen of moet zijn. Voel daarna hoe er ruimte komt.
Sluit vrede met je ouders
Als kind was je onschuldig, en daarin ben je slachtoffer geweest. Dat betekent niet dat je in het slachtofferschap moet blijven, maar het mag wel erkend worden.
Toch ligt de sleutel bij vrede. Als je hard bent voor je ouders, ben je ook hard voor jezelf. Als je geen vrede sluit met je moeder, zul je nooit vrede sluiten met jezelf en met het leven. Dat betekent niet dat je moet zeggen dat je een leuke moeder hebt gehad. Het betekent dat je haar neemt voor wat ze is. Pas dan kun je jezelf nemen voor wat jij bent, en dan komt er verzachting.
Je ouders zijn meer geweest dan hun gedrag. Als je verder kijkt dan dat gedrag, kijk je met de ogen van de liefde. Vaak komen dan ook de mooie herinneringen boven die eerst achter de pijn verborgen zaten.
De vrouw die als kind alleen in het ziekenhuis lag, ervoer dat in een opstelling. Vanuit de plek van haar ouders klonk iets wat ze nooit had gehoord: dat was niet de intentie. Ze hadden alleen een beter leven voor haar gewild. En vanuit de energie van haar vader: mijn lief kind, wat ben ik blij dat jij doet wat ik nooit heb gekund. Daarna kon ze de eenzaamheid en het niet mogen zijn teruggeven aan waar het hoorde. Jij bent jij, ik ben ik.
Haar nieuwe overtuiging werd: ik mag er zijn, en ik mag het samen doen. Toen ze daarin stapte, stond ze rechtop en stevig. Ze voelde zich blij, lief, rustig en open.
Er komt niks bij, er gaat niks af
Je hoeft niet iemand anders te worden. Als het er al is en het is al compleet, waarom zou er dan iets bij of iets af moeten? Het enige wat gebeurt, is dat je je bewust wordt van de ruis om je kern heen. En wanneer je weer contact maakt met die kern, gaat het stromen.
Betekent dat dat het nooit meer pijn doet? Nee, pijn doet nog steeds pijn. Maar je wordt je ervan bewust dat pijn een functie heeft. Hij hoeft niet meer weg, want hij wordt juist de toegang naar je ziel.
Van nooit meer naar opnieuw durven
Je hart zei ooit “nooit meer” om je te beschermen, en dat was toen wijs. Een klein kind had geen andere manier om met zoveel pijn om te gaan.
Maar je bent geen klein kind meer, en je mag nu kiezen. Je mag voelen dat het destijds niet aan jou lag, en dat je in oorsprong al oké was. Dan kan het leven in verbinding weer gaan stromen.
Wil je verder kijken naar wat je familiesysteem in jou heeft achtergelaten? In het gratis e-book over systemisch werk lees je hoe je familie doorwerkt in je relaties, en hoe je daar met andere ogen naar kunt leren kijken.
